Tuchtcollege uitspraken

Zaak 08/200: klacht tegen behandeling opthopedisch chirurg

20 oktober 2010

Op grond van de stukken waaronder het medisch dossier en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

Klager, geboren in 1946, is op vrijdag 17 oktober 2007 bij het schilderen van de eigen woning op de linkerschouder gevallen en heeft daarbij een humerusschachtfractuur links opgelopen. Klager werd dezelfde dag gezien op de afdeling Spoed Eisende Hulp (SEH) door verweerders collega I. Deze heeft de fractuur voorlopig behandeld met het aanleggen van drie lagen verband. Verweerder heeft de volgende dag de behandeling van klager van I overgenomen omdat I geen plaats had op zijn operatie-programma voor klager.

Verweerder heeft de behandelopties met klager besproken te weten conservatieve behandeling, een penosteosynthese of een plaatosteosynthese. Klager voelde niet voor een conservatieve behandeling, daarom is gekozen voor een penosteosynthese.

Op 23 oktober 2007 voerde verweerder onder röntgendoorlichting de osteosynthese uit. Op de foto’s leek de pen wat hoog te zitten maar de pen stak niet door het kapsel heen. Klager mocht na deze ingreep actief oefenen. Hij hield veel pijnklachten en was (zeer) beperkt in zijn functioneren. Er werd een consult van de neuroloog gevraagd. Deze constateerde een partieel bovenste plexuslaesie zonder therapeutische consequenties. Verder werd de revalidatiearts in medebehandeling gevraagd. Röntgenonderzoek op 26 maart 2008 liet nog geen consolidatie van de fractuur zien. Verweerder schreef klager een botgroeistimulator voor.

Op 30 maart 2008 schreef klager aan zijn behandelaars een brief waarin hij zijn zorgen uitte over de voortgang van de behandeling en een second opinion voorstelde. Verweerder schreef op 4 april 2008 een verwijsbrief voor een second opinion en op 8 april 2008 werd klager voor die second opinion gezien door de orthopeed J te H. J adviseerde telefonisch aan verweerder de pen te verwijderen en een plaatosteosynthese te doen met zo nodig een botplastiek erbij. J kon die ingreep om praktische redenen niet zelf uitvoeren en daarom werd deze uitgevoerd door verweerder.
Op 6 mei 2008 vond die tweede operatie plaats. Er bleek sprake van non-union van de fractuur en er bleken weke delen tussen de fractuureinden te zitten. Verweerder verwijderde de pen en voerde vervolgens een plaatsoteosynthese met een acht-gats smalle 4,5 mm DCP plaat uit. Deze plaat werd voorgebogen en onder compressie gefixeerd. Verder vulde verweerder het defect tussen beide fractuureinden op door middel van een botplastiek. De supraspinatusspier, die geopend werd om de pen te verwijderen, werd weer gesloten. Röntgenonderzoek liet een goede stand zien van de fractuur en van de plaat. Klager gaf aanvankelijk postoperatief aan dat de arm steviger voelde en dat hij minder pijnklachten had. Op 2 juni 2008 leek echter sprake van een wondinfectie en volgde klinische behandeling met antibiotica intra-veneus.

Op 13 juni 2008 werden röntgenfoto’s gemaakt die lieten zien dat één schroef net proximaal van de fractuur was losgegaan. Verder was de stand van de fractuur goed en lag de plaat goed aan. Verweerder besloot de situatie te accepteren. Klager werd op 16 juni 2008 ontslagen met orale antibiotica. Op 25 juni 2008 werd met röntgenfoto’s vastgesteld dat de plaat proximaal iets begon los te komen. Vanwege de recente behandeling voor de wondinfectie leek het verweerder niet zinvol een nieuwe exploratie te verrichten. Verweerder schreef een humerusbrace voor in de hoop dat er alsnog consolidatie zou optreden.

Verweerder heeft de behandeling van klager op 2 juli 2008 besproken met zijn collega’s I en K. Zij deelden de mening van verweerder dat het zinvol was de brace eerst zes weken te proberen.
Op 29 juni 2008 schreef klager een brief aan verweerder waarin hij er op aandringt geen tijd verloren te laten gaan. Het volgend consult vond plaats op 9 juli 2008.

Laboratoriumonderzoek betreffende de infectieparameters is dan weer goed. Röntgenonderzoek toonde een onveranderde stand. Geadviseerd werd af te wachten tot september. Klager wilde echter een second opinion in het E. Verweerder heeft daartoe op 10 juli 2008 een brief geschreven. Klager kon op 16 augustus 2008 in het E terecht. Verweerder heeft klager op 13 augustus 2008 nog op de afgesproken controle gezien. De röntgenfoto liet toen zien dat de stand onveranderd was.

Klager is in het E gezien door de orthopeed L die een nieuwe osteosynthese adviseerde. Die ingreep vond op 3 september 2008 plaats. Het osteosynthesemateriaal werd verwijderd met nettoyage van de pseudoartrose, plaatfixatie met compressie en een spongiosaplastiek met spongiosa uit de bekkenkam. Klager mocht voorzichtig slingeroefeningen doen uit zijn Gillchrist verband. Na deze ingreep is consolidatie van de fractuur opgetreden.
In september 2008 is een rapport verschenen van de Inspectie voor de Gezondheidszorg betreffende het peroperatief proces in de D te B en M.
 

Lees de volledige uitspraak.